Column Jeroen Naaijkens: Wat van ver komt is lekker zeiden ze vroeger
Wat van ver komt is lekker zeiden ze vroeger. Op feesten en partijen presenteert men vanouds graag exotische producten. Dat was al zo in de Romeinse tijd. De oude Romeinen haalden hun mosselen uit de Noordzee, wijn uit Spanje, graan uit Noord-Afrika en honing uit de Kaukasus. De heldhaftige veroveringstochten van Julius Caesar waren eigenlijk alleen maar een beetje groots opgezette inkoop operaties. “De Bello Gallico”, we hebben het op school mogen lezen, had eigenlijk hetzelfde doel als het krantje met aanbiedingen van de Aldi. Waar kan ik wat goedkoop krijgen?
Zo zijn er in 's-Hertogenbosch, in oude beerputten in de
Peperstraat, de Volderstraat en Achter het wild verken, de harde
bewijzen gevonden dat ook in de veertiende eeuw er bij de gegoede
burgers al dadels, vijgen, granaatappels, rijst en allerlei
exotische kruiden op tafel kwamen.
Verstedelijking, het ontstaan van steden, en gesleep met voedsel
van uit alle windstreken horen bij elkaar als stamper en vijzel. In
de late Middeleeuwen, toen het gebied binnen de wallen van Den
Bosch bijna volgebouwd was, kwam de rogge voor Den Bosch uit
de Meierij, de groente uit het land van Heusden en we visten haring
uit de Oostzee. Die haringvloot leverde ons een grote
zeevaartkennis op waarmee we uitgelezen handelaren werden. De zee
was de snelweg waarover alles snel en goedkoop vervoerd kon worden.
We gingen niet alleen haring maar ook graan uit het
Oostzeegebied halen. Dat was in de zestiende eeuw. En nu halen we
soja en soja schroot uit Zuid-Amerika. Niks nieuws onder de zon
dus. "Food miles" is geen modern verschijnsel, het is even oud als
de verstedelijking, zo´n 5000 jaar dus.
De stad haalt haar eten graag van ver, want ze haalt haar eten
gewoon overal waar het maar te vinden is. Nu lijkt het
duurzaamheidsbeleid dat wel te willen veranderen. Alleen wat van
dichtbij komt lijkt lekker, gezond en moreel verantwoord. Het moet
volgens sommigen een streekprodukt zijn, anders is het niet
duurzaam. Maar, met biologische streekprodukten voeden we echt de
wereld niet.
Net zoals energie op de wereldmarkt gewonnen en verhandeld
wordt, wordt ook voedsel op wereldschaal verhandeld. Dat moet wel,
vanwege het groeiend aantal metropolen, steden met meer dan
tien miljoen inwoners. Dat moet wel, want de helft van de mensheid
(straks 9 miljard) woont in zulke metropolen. En die vragen, nee
eisen twee keer zo veel voedsel terwijl we nog maar over de helft
van de hulpstoffen en nodige energie de beschikking kunnen hebben.
We moeten het voedselsysteem dus vier keer zo productief maken. Dat
betekent optimaliseren. Daar produceren waar het gewas het best
groeit, waar de kennis is, er de minste hulpstoffen nodig zijn voor
gewasbescherming en water beschikbaar, het economisch bestel
stabiel en controleerbaar. Op die plekken, vaak de delta's van
grote riviersystemen, kunnen we uitstekend produceren voor de
wereldmarkt. Het negatieve effect van het vervoer over lange
afstanden weegt niet op tegen de voordelen van de optimale
productieomstandigheden. Vervoer gebeurt ook in grote hoeveelheden,
dus efficiënt. Goortschaligheid heeft voordelen.
Zeggen we daarom vaarwel tegen onze streekprodukten? Laten we
onze asperges uit Cromvoirt, tuinbonen uit Den Dungen en kersen uit
Uden voortaan liggen? Nee natuurlijk niet. Ze zijn immers het zout
in de pap, geven het weekend fleur, maken een fietstochtje
nuttig, een etentje speciaal, het landschap boeiend en de
gemeenschap vrolijker. Streekprodukten dragen wel degelijk bij aan
een duurzame samenleving, maar alleen aan de people kant. We voelen
ons daar beter door. Als we gaan rekenen aan de planet of profit
kant dan kan vallen de prestaties van streekprodukten zwaar tegen.
Ze dragen daar hooguit marginaal aan bij. Regionalisering zal
moeten aansluiten bij de wereldwijde, al duizenden jaren oude trend
van de verstedelijking. Regionalisering zal zich dan niet moeten
vormgeven in afstanden van vijf kilometer, maar van 500. Alleen dan
kan het wat betekenen.
Jeroen Naaijkens
Column uitgesproken in het MiNC-café
's-Hertogenbosch 9 juli 2010